Liturgie voor zondag 5 december 2021

Hartelijk welkom in deze dienst!

Tijdens deze dienst op Tweede Adventszondag. In deze dienst nemen we afscheid van Mijntje Veenstra-Blaauw als diaken en Wim van Veen als ouderling-kerkrentmeester. Astrid Elzenaar-Bromlewe zal bevestigd worden als ouderling en Peter Dekker als diaken. Tevens zal Mijntje haar pastorale arbeid als pastorale medewerker gaan voortzetten. En Trijntje de Jonge zal een tweede termijn in gaan als ouderling.

De kaars voor Tweede Advent wordt aangestoken door Liza Oord en het gedicht wordt gelezen door Naomi Oord

Het is drie weken uitzien

naar het grote festijn

Want als Hij bij ons thuis is

zal het bruiloftsfeest zijn

Welkom en mededelingen

Lied 84 Nieuwe Liedboek

Hoe lieflijk, hoe goed is mij, Heer,

het huis waar Gij uw naam en eer

hebt laten wonen bij de mensen.

Hoe brand ik van verlangen om

te komen in uw heiligdom.

Wat zou mijn hart nog liever wensen

dan dat het juichend U ontmoet

die leven zijt en leven doet.

Want God onze Heer die ons mild

bestraalt als zon, beschermt als schild,

zal in genade ons verhogen.

Zijn hand onthoudt het goede niet

aan wie oprecht Hem hulde biedt

en eerlijk wandelt voor zijn ogen.

Heer, die het al in handen houdt,

welzalig die op U vertrouwt.

Bemoediging en groet, beantwoord met het Klein Gloria (Lied 195)

Ere zij de Vader en Zoon

en de Heilige Geest

als in den beginne

nu en immer

en van eeuwigheid tot eeuwigheid

AMEN

Lied 975 Nieuwe Liedboek

Jezus roept hier mensen samen

die in woord, gebed en lied

Gods aanwezigheid beamen,

geen belofte gaat te niet.

Prijs nu God, die goed en trouw is,

prijs de Zoon, die mensen kent,

prijs de Geest die als de Trooster

zich naar ons heeft toegewend.

Jezus roept ons te belijden

Hem als Heer van het heelal,

Hoeder van ons broze lichaam,

Redder van wie faalt of valt.

Zing het uit, laat elk het horen,

Zing het heilige verhaal,

Zeg de wereld: Christus; glorie

Is op aarde neergedaald.

GEBODEN & GEBED

CLIPJE ADVENTSPROJECT: Twee ‘schapen’ ontdekken een kaart en komen terecht in een onbekend avontuur…

Deel 2: Jij telt mee!

PROJEKTLIED ‘JIJ TELT MEE’ (Clipje)

Jij telt mee

(Refrein:)

Jij telt mee,

jij telt mee.

En God kan heel goed tellen,

daarvan heb je geen idee.

Jij telt mee,

jij telt mee.

O ja, echt waar

ook al had je geen idee!

Heb je dat nou ook,

dan voel je je wat klein.

Dan lijkt het wel alsof and’ren heel belangrijk zijn

Ze krijgen veel applaus,

likes en heel veel fans.

Dan lijkt het of je zelf maar heel gewoontjes bent.

Maar God die draait dat om

Hij werd Zelf heel klein.

Hij verliet de hemel

om dicht bij jou te zijn

En Hij zegt tegen jou:

Kom maar dicht bij mij,

want jij, je hoort erbij!

(refrein)

Jij telt mee (x4)

Bij vertrek van de kinderen naar kindernevendienst:

Wij gaan voor even uit elkaar en delen nu het licht.
Dat licht vertelt ons iets van God. Op Hem zijn wij gericht.
 
Wij geven Gods verhalen door. En wie zich openstelt
ervaart misschien een beetje licht door wat er wordt verteld.
 
Straks zoeken wij elkaar weer op en elk heeft zijn verhaal
Het licht verbindt ons met elkaar: het is voor allemaal!

Schriftlezing: Lukas 1:26-56

In de zesde maand zond God de engel Gabriël naar de stad Nazaret in Galilea, naar een meisje dat was uitgehuwelijkt aan een man die Jozef heette, een afstammeling van David. Ze heette Maria en ze was nog maagd. Gabriël ging haar huis binnen en zei: ‘Gegroet Maria, je bent begenadigd, de Heer is met je.’ Ze schrok hevig bij het horen van zijn woorden en vroeg zich af wat die begroeting te betekenen had. Maar de engel zei tegen haar: ‘Wees niet bang, Maria, God heeft je zijn gunst geschonken. Luister, je zult zwanger worden en een zoon baren, en je moet Hem Jezus noemen. Hij zal een groot man worden en Zoon van de Allerhoogste worden genoemd, en God, de Heer, zal Hem de troon van zijn vader David geven. Tot in eeuwigheid zal Hij koning zijn over het volk van Jakob, en aan zijn koningschap zal geen einde komen.’

Maria vroeg aan de engel: ‘Hoe zal dat gebeuren? Ik heb immers nog geen gemeenschap met een man.’ De engel antwoordde: ‘De heilige Geest zal over je komen en de kracht van de Allerhoogste zal je als een schaduw overdekken. Daarom zal het kind dat geboren wordt, heilig worden genoemd en Zoon van God. Luister, ook je familielid Elisabet is zwanger van een zoon, ondanks haar hoge leeftijd. Ze is nu, ook al hield men haar voor onvruchtbaar, in de zesde maand van haar zwangerschap, want voor God is niets onmogelijk.’ Maria zei: ‘De Heer wil ik dienen: laat er met mij gebeuren wat u hebt gezegd.’ Daarna liet de engel haar weer alleen.

Kort daarop reisde Maria in grote haast naar het bergland, naar een stad in Juda, waar ze het huis van Zacharias binnenging en Elisabet begroette. Toen Elisabet de groet van Maria hoorde, sprong het kind op in haar schoot; ze werd vervuld van de heilige Geest en riep luid: ‘De meest gezegende ben je van alle vrouwen, en gezegend is de vrucht van je schoot! Wie ben ik dat de moeder van mijn Heer naar mij toe komt? Toen ik je groet hoorde, sprong het kind van vreugde op in mijn schoot. Gelukkig is zij die geloofd heeft dat de woorden van de Heer in vervulling zullen gaan.’

Maria zei:

‘Mijn ziel prijst en looft de Heer,
mijn hart juicht om God, mijn redder:

Hij heeft oog gehad voor mij, zijn minste dienares.

Alle geslachten zullen mij voortaan gelukkig prijzen,
ja, grote dingen heeft de Machtige voor mij gedaan,

heilig is zijn naam.
Barmhartig is Hij, van geslacht op geslacht,

voor al wie Hem vereert.

Hij toont zijn macht en de kracht van zijn arm

en drijft uiteen wie zich verheven wanen,

heersers stoot Hij van hun troon

en wie gering is geeft Hij aanzien.
Wie honger heeft overlaadt Hij met gaven,

maar rijken stuurt Hij weg met lege handen.

Hij trekt zich het lot aan van Israël, zijn dienaar,

zoals Hij aan onze voorouders heeft beloofd:

Hij herinnert zich zijn barmhartigheid

jegens Abraham en zijn nageslacht,

tot in eeuwigheid.’

Maria bleef ongeveer drie maanden bij haar, en ging toen terug naar huis.

Lied 438: 1 & 2

God lof! Nu is gekomen

Gods aangename tijd:

de Koning onzer dromen,

de Heer der heerlijkheid

treedt, zonder praal en pracht,

in onze wereld binnen,

om hier te overwinnen

de duivel en zijn macht.

Hij wilde zich verlagen

en daalde van zijn troon;

een ezel mag Hem dragen,

Hem sieren staf noch kroon.

Hij wil zijn koningsmacht

en majesteit verhullen,

om need’rig te vervullen

wat God van Hem verwacht

Tweede Schriftlezing: I Petrus 2:6-9

In de Schrift staat: ‘In Sion leg Ik een hoeksteen die Ik heb uitgekozen om zijn kostbaarheid; wie daarop vertrouwt, komt niet bedrogen uit.’ Kostbaar is hij voor u, die erop vertrouwt. Voor wie er niet op vertrouwen geldt echter: ‘De steen die de bouwers afkeurden is de hoeksteen geworden.’ En: ‘Het is een steen waarover men struikelt, een rotsblok waaraan men zich stoot.’ Zij struikelen omdat ze weigeren Gods woord te gehoorzamen, daartoe zijn ze bestemd.

Maar u bent een uitverkoren geslacht, een koninkrijk van priesters, een heilige natie, een volk dat God zich verworven heeft om de grote daden te verkondigen van Hem die u uit de duisternis heeft geroepen naar zijn wonderbaarlijke licht.

Preek: ‘Uitverkoren!’

Lied 840

Lieve Heer, Gij zegt kom en ik kom,  
want mijn leven is onder de macht gesteld
van de Heer die mijn dagen en nachten telt
en de Heer zegt kom en ik kom.

O mijn God, Gij zegt ga en ik ga,  
Gij zegt ga en ik ga,laat mij niet alleen,  
wees het woord in mijn vlees en de geest om mij heen,  
wees de adem waaruit ik ontsta.

Want o Heer, ik zeg kom 
en Gij komt, ik zeg kom en Gij komt
en uw bloed wordt wijn en uw lichaam brood
voor wie hongerig zijn
en uw naam wordt een lied in mijn mond.

Over de ambten

In het vergaderen en onderhouden van zijn Lichaam, de kerk,

maakt onze Heer Jezus Christus gebruik

van de dienst van mensen, aan wie Hij in de gemeente

een bijzondere taak heeft toevertrouwd.

Hun ambtswerk is bedoeld om de gelovigen

toe te rusten tot getuigenis en dienst in de wereld

en tot opbouw van het lichaam van Christus.

Zij mogen dit werk verrichten,

ziende op Hem,

die niet gekomen is om zich te laten dienen

maar om te dienen.

Deze dienstbaarheid in Christus’ Naam

krijgt een duidelijke gestalte in het ambt van de diakenen.

Vanouds hebben zij de taak om de tafels te bedienen

met inachtneming van het Woord van God,

dat de behoeftigen niet beschaamd worden.

Zij zamelen de gaven van de gemeente in

om allen, die hulp nodig hebben

– binnen of buiten de kerk, dichtbij of veraf –

te doen delen in de liefde van Christus.

Metterdaad en biddenderwijs komen zij op

voor het recht van de arme, die om hulp roept

de ellendige en wie geen helper heeft.

Zo zullen zij bevorderen

dat armen en rijken elkaar ontmoeten,

want allen zijn zij schepselen van de Heer.

Aan deze verbondenheid met alle mensen

en met heel de schepping

herinneren zij ons telkens weer

als zij brood en beker bij ons doen rondgaan

wanneer wij het Heilig Avondmaal vieren

en wij de dood van de Heer verkondigen,

totdat Hij komt.

En zoals de oudsten in Israël

het volk vertegenwoordigden

en tegelijk opzicht hadden over het volk van God,

zo worden in de gemeente van Christus

de ouderlingen aangesteld

om de gemeente te houden aan haar roeping:

een koninkrijk van priesters

en een heilig volk te zijn.

Door op te treden als vertrouwenspersoon

en geweten van de gemeente in deze tijd

bemoedigen zij hun broeders en zusters, jong en oud,

in de navolging van Christus onze Heer.

En aan daartoe in het bijzonder aangewezen ouderlingen,

de ouderling-kerkrentmeesters, is de taak toevertrouwd

om zorg te dragen voor de materiele belangen van de gemeente,

voor zover van niet-diaconale aard.

Er is verscheidenheid in genadegaven

maar het is dezelfde Heer;

er is verscheidenheid in bedieningen,

maar het is dezelfde Heer;

en er is verscheidenheid in werkingen,

maar het is dezelfde God,

die alles in allen werkt.

Dient elkaar daarom

een ieder naar de genadegaven

en roeping die hij heeft ontvangen,

als goede rentmeesters

over de velerlei genade Gods,

tot heil van allen

en tot eer van onze drie-enige God:

Vader, Zoon en Heilige Geest.

Een belijdenislied: Lied 412: 1 & 3

Wij loven U, o God, belijden U als Heer.

Eeuwige Vader, U geeft heel de wereld eer.

U zingen alle heem’len, serafs, machten, tronen,

onafgebroken rijst hun lied op hoge tonen:

Gij, driemaal heilig zijt Gij, God der legerscharen,

wiens grootheid aard’ en hemel heerlijk openbaren!

U, Vader, U zij lof op een verhoogde troon!

Lof en aanbidding zij uw eengeboren Zoon.

Lof zij uw Geest, die ons ten Trooster is gegeven,

ons in de waarheid leidt, de weg van eeuwig leven.

U looft uw kerk alom, waar Gij die ook vergaarde;

U looft wat loven kan, in hemel en op aarde!

Bevestiging en zegening

Vragen

Beste Astrid en Peter: Nu wij over gaan tot jullie bevestiging in het ambt van diaken mogen jullie aan allen hier aanwezig laten horen, dat jullie in geloof jullie dienst aanvaarden. Ik verzoek jullie daarom in alle oprechtheid antwoord te geven op de volgende vragen

Ten eerste: Geloof je, dat God zelf je door zijn Gemeente tot dit ambt geroepen heeft?

Ten tweede: Aanvaard je de Heilige Schrift, bij het licht waarvan wij leven, als Woord van God en enige regel van het geloof zodat je ook verwerpt en daadwerkelijk wilt tegenstaan al wat daarmee strijdig is?

Ten derde: Beloof je jouw ambt trouw te bedienen, met liefde voor de gemeente en voor alle mensen die de Heer op je weg breng; beloof je geheim te houden wat vertrouwelijk tot je gekomen is en beloof je je ambt te vervullen overeenkomstig de orde van onze kerk?

Wat is daarop jouw antwoord?

Zegening & bemoediging

Tekst ter bemoediging voor Astrid Elzenaar-Bromlewe: Romeinen 15: 13

‘Moge God, die ons hoop geeft, jou in het geloof geheel en al vervullen met vreugde en vrede, zodat jouw hoop overvloedig zal zijn door de kracht van de heilige Geest.

Tekst ter bemoediging voor Peter Dekker: Johannes 12:26, waar Jezus zegt:

‘Wie mij dient moet mij volgen: waar Ik ben zal ook mijn dienaar zijn, en wie mij dient zal door de Vader geëerd worden

Staande zingen we het zegengebed: Lied 415: 1 & 2

Zegen hen, Algoede,

neem hen in uw hoede

en verhef uw aangezicht

over hen en geef hen licht.

Stort op onze bede,

in hun hart uw vrede,

en vervul hen met de kracht

van uw Geest bij dag en nacht.

Vraag aan de gemeente (gemeente staat)

Voorganger:

Gemeente van onze Here Jezus Christus,

Nu zuster Astrid Elzenaar-Bromlewe is bevestigd als ouderling en broeder Peter Dekker is bevestigd als diaken belooft u hen ook als zodanig in uw midden te aanvaarden, zoals dat van de Gemeente van Jezus Christus verwacht mag worden, hen te omringen met uw meeleven, en hen te dragen in uw gebeden?

Wat is daarop uw antwoord?

Gemeente: ‘Ja, dat beloven wij.’

Als bevestiging op ons antwoord zingen we Lied 415: 3

    Amen, amen, amen!

    Dat wij niet beschamen

    Jezus Christus onze Heer,

    amen, God, uw naam ter eer!

Herbevestiging van Trijntje de Jonge – Jonkman. Voorts nemen we afscheid van Mijntje Veenstra- Blaauw als diaken en Wim van Veen als ouderling-kerkrentmeester.

Wij zingen hen toe: Lied 416: 1 & 4

Ga met God en Hij zal met je zijn,

jou nabij op al je wegen

met zijn raad en troost en zegen.

Ga met God en Hij zal met je zijn

Ga met God en Hij zal met je zijn

tot wij weer elkaar ontmoeten

in zijn naam elkaar begroeten

Ga met God en Hij zal met je zijn.

(u mag weer gaan zitten)

Voorstellen nieuwe gemeenteleden

Dankgebed – voorbeden – stil gebed – Onze Vader

Heenzending en zegen, daarna zingen we een gebed om de komst van ‘Immanuel’, Gezang 125, Liedboek der Kerken, 1, 3 & 5

O kom, o kom, Immanuël,

verlos uw volk, uw Israël,

herstel het van ellende weer,

zodat het looft uw naam, o Heer!

Weest blij, weest blij, o Israël!

Hij is nabij, Immanuël!

O kom, o kom, Gij Oriënt,

en maak uw licht alom bekend;

verjaag de nacht van nood en dood,

wij groeten reeds uw morgenrood.

Wees blij, weest blij, o Israël!

Hij is nabij, Immanuël!

O kom, die onze Heerser zijt,

in wolk en vuur en majesteit.

O Adonai die spreekt met macht,

verbreek het duister van de nacht.

Weest blij, weest blij, o Israël!

Hij is nabij, Immanuël!