Liturgie voor zondag 22 mei 2022

Tijdens deze dienst mogen we Guus Keilman bevestigen als ouderling-kerkrentmeester. Wij bidden om een gezegende dienst!

Welkom en mededelingen

Zingen: Lied 283

In de veelheid van geluiden

in het stormen van de tijd,

zoeken wij het zachte suizen

van het woord, dat ons verblijd

Laat uw dauw van vrede dalen

In de voren van de tijd.

Vat ons samen in de stralen

van uw goedertierenheid.

Die ons naam voor naam wilt noemen,

als uw liefde ons besteedt,

zingend zullen wij U roemen

en dit huis zing met ons mee!

Bemoediging en groet, beantwoord met Lied 195 (‘Klein Gloria’)

Ere zij de Vader en de Zoon

en de Heilige Geest,

als in den beginne, nu en immer

en van eeuwigheid tot eeuwigheid. Amen.

Zingen: Lied 975

Jezus roept hier mensen samen

die in woord, gebed en lied

Gods aanwezigheid beamen,

geen belofte gaat te niet.

Prijs nu God, die goed en trouw is,

prijs de Zoon, die mensen kent,

prijs de Geest die als de Trooster

zich naar ons heeft toegewend.

Jezus roept ons tot de ander,

Zo verschillend als wij zijn,

Ras of huidskleur, rangen, standen –

Jezus trekt geen scheidingslijn.

Ga met vrienden en met vreemden,

Ga met mensen, groot en klein,

Ga met zaligen en zoekers,

Die op zoek naar waarheid zijn

Gebed om Gods Tegenwoordigheid

Bevestiging van Gustaaf Jan Keilman

Over de ambten

In het vergaderen en onderhouden van zijn Lichaam, de kerk,

maakt onze Heer Jezus Christus gebruik

van de dienst van mensen, aan wie Hij in de gemeente

een bijzondere taak heeft toevertrouwd.

Hun ambtswerk is bedoeld om de gelovigen

toe te rusten tot getuigenis en dienst in de wereld

en tot opbouw van het lichaam van Christus.

Zij mogen dit werk verrichten,

ziende op Hem,

die niet gekomen is om zich te laten dienen

maar om te dienen.

Deze dienstbaarheid in Christus’ Naam

krijgt een duidelijke gestalte in het ambt van de diakenen.

Vanouds hebben zij de taak om de tafels te bedienen

met inachtneming van het Woord van God,

dat de behoeftigen niet beschaamd worden.

Zij zamelen de gaven van de gemeente in

om allen, die hulp nodig hebben

– binnen of buiten de kerk, dichtbij of veraf –

te doen delen in de liefde van Christus.

Metterdaad en biddenderwijs komen zij op

voor het recht van de arme, die om hulp roept

de ellendige en wie geen helper heeft.

Zo zullen zij bevorderen

dat armen en rijken elkaar ontmoeten,

want allen zijn zij schepselen van de Heer.

Aan deze verbondenheid met alle mensen

en met heel de schepping

herinneren zij ons telkens weer

als zij brood en beker bij ons doen rondgaan

wanneer wij het Heilig Avondmaal vieren

en wij de dood van de Heer verkondigen,

totdat Hij komt.

En zoals de oudsten in Israël

het volk vertegenwoordigden

en tegelijk opzicht hadden over het volk van God,

zo worden in de gemeente van Christus

de ouderlingen aangesteld

om de gemeente te houden aan haar roeping:

een koninkrijk van priesters

en een heilig volk te zijn.

Door op te treden als vertrouwenspersoon

en geweten van de gemeente in deze tijd

bemoedigen zij hun broeders en zusters, jong en oud,

in de navolging van Christus onze Heer.

En aan daartoe in het bijzonder aangewezen ouderlingen,

de ouderling-kerkrentmeesters, is de taak toevertrouwd

om zorg te dragen voor de materiele belangen van de gemeente,

voor zover van niet-diaconale aard.

Er is verscheidenheid in genadegaven

maar het is dezelfde Heer;

er is verscheidenheid in bedieningen,

maar het is dezelfde Heer;

en er is verscheidenheid in werkingen,

maar het is dezelfde God,

die alles in allen werkt.

Dient elkaar daarom

een ieder naar de genadegaven

en roeping die hij heeft ontvangen,

als goede rentmeesters

over de velerlei genade Gods,

tot heil van allen

en tot eer van onze drie-enige God:

Vader, Zoon en Heilige Geest.

Een belijdenislied: Lied 412: 1 & 3

Wij loven U, o God, belijden U als Heer.

Eeuwige Vader, U geeft heel de wereld eer.

U zingen alle heem’len, serafs, machten, tronen,

onafgebroken rijst hun lied op hoge tonen:

Gij, driemaal heilig zijt Gij, God der legerscharen,

wiens grootheid aard’ en hemel heerlijk openbaren!

U, Vader, U zij lof op een verhoogde troon!

Lof en aanbidding zij uw eengeboren Zoon.

Lof zij uw Geest, die ons ten Trooster is gegeven,

ons in de waarheid leidt, de weg van eeuwig leven.

U looft uw kerk alom, waar Gij die ook vergaarde;

U looft wat loven kan, in hemel en op aarde!

Bevestiging en zegening

Vragen

Beste broeder Keilman: Nu wij over gaan tot jouw bevestiging in het ambt  mag je aan allen hier aanwezig laten horen, dat je in geloof jouw dienst aanvaardt. Ik verzoek jou daarom in alle oprechtheid antwoord te geven op de volgende vragen:

Ten eerste: Geloof je, dat God zelf je door zijn Gemeente tot dit ambt geroepen heeft?

Ten tweede: Aanvaard je de Heilige Schrift, bij het licht waarvan wij leven, als Woord van God en enige regel van het geloof zodat je ook verwerpt en daadwerkelijk wilt tegenstaan al wat daarmee strijdig is?

Ten derde: Beloof je jouw ambt trouw te bedienen, met liefde voor de gemeente en voor alle mensen die de Heer op je weg brengt; beloof je geheim te houden wat vertrouwelijk tot je gekomen is en beloof je je ambt getrouw te vervullen?

Wat is daarop jouw antwoord?

Zegening & bemoediging

Tekst ter bemoediging: Jakobus 1: 5

Kom je wijsheid tekort? Vraag God erom en Hij, die aan iedereen geeft, zonder voorbehoud en zonder verwijt, zal je wijsheid geven.

Staande zingen we het zegengebed: Lied 415: 1 & 2

Zegen hem, Algoede,

neem hem in uw hoede

en verhef uw aangezicht

over hem en geef hem licht.

Stort op onze bede,

in zijn hart uw vrede,

en vervul hem met de kracht

van uw Geest bij dag en nacht.

Vraag aan de gemeente (gemeente staat)

Voorganger:

Gemeente van onze Here Jezus Christus,

Nu broeder Guus Keilman bevestigd is als ouderling-kerkrentmeester, belooft u hem ook als zodanig in uw midden te aanvaarden, zoals dat van de Gemeente van Jezus Christus verwacht mag worden, hem te omringen met uw meeleven, en hem te dragen in uw gebeden?

Wat is daarop uw antwoord?

Gemeente: ‘Ja, dat beloven wij.’

Als bevestiging op ons antwoord zingen we Lied 415: 3

   Amen, amen, amen!

   Dat wij niet beschamen

   Jezus Christus onze Heer,

   amen, God, uw naam ter eer!

Voorganger:

De almachtige God en Vader van onze Here Jezus Christus geve jou door zijn Heilige Geest zijn blijvende genade, zijn kracht, zijn liefde, zijn vrede, zijn geduld, zijn vrijmoedigheid en zijn vreugde en al de gaven die je nodig hebt in dit ambt, opdat je jouw dienst in dit ambt getrouw en met vrucht mogen vervullen.

In de Naam van de Drie-enige God

die leeft en regeert tot in eeuwigheid,

          Vader, Zoon en Heilige Geest.

          Amen.

Zingen: Alle eer aan God (Sela)

Jezus is het Woord van God,

Waarheid die de eeuwen overspant.

Wat de mens ook onderneemt,

onze God houdt alles in de hand.

Fundament voor een wereld in nood,

zekerheid in leven en dood.

Vaste grond voor wie hoopt en vertrouwt.

De hoeksteen, waar de kerk op wordt gebouwd.

Alle eer aan God, zijn woord is eeuwig waar.

Kom, zing voor God, verbonden met elkaar.

De kerk viert feest, is blij, want zij gelooft:

God heeft zijn Woord gegeven; Hij doet wat Hij belooft.

Over alle grenzen heen

vormt Hij de gemeente tot zijn bruid.

Wachtend op het bruiloftsfeest,

kijken wij voortdurend naar Hem uit.

Als Hij komt buigen wij voor Hem neer,

zien wij onze Koning en Heer.

Naar zijn plan zijn wij heilig en rein,

om eeuwig met Hem samen te zijn.

Dankgebed en overgang naar de dienst van het Woord

Bij vertrek van de kinderen naar kindernevendienst zingen we:

Wij gaan voor even uit elkaar en delen nu het licht.
Dat licht vertelt ons iets van God. Op Hem zijn wij gericht.
 
Wij geven Gods verhalen door. En wie zich openstelt
ervaart misschien een beetje licht door wat er wordt verteld.
 
Straks zoeken wij elkaar weer op en elk heeft zijn verhaal
Het licht verbindt ons met elkaar: het is voor allemaal!

Eerste Schriftlezing: Ezra 3:1-3

Aan het begin van de zevende maand, toen de Israëlieten zich in hun steden hadden gevestigd, verzamelde het voltallige volk zich in Jeruzalem. Jesua, de zoon van Josadak, en zijn medepriesters, en Zerubbabel, de zoon van Sealtiël, en zijn verwanten, bouwden het altaar van de God van Israël, om daarop te kunnen offeren zoals is voorgeschreven in de wet van Mozes, de godsman.  Ondanks hun angst voor de bevolking van het land richtten ze het altaar op zijn oude fundamenten op en offerden aan de HEER. Ze droegen de brandoffers voor de morgen en de avond op, en vierden het Loofhuttenfeest volgens de voorschriften: elke dag brachten ze het vereiste aantal brandoffers, zo veel offers dus als er voor iedere dag zijn voorgeschreven. Van toen af aan brachten ze ook het dagelijkse offer, het offer op nieuwemaan en de offers bij alle andere heilige hoogtijdagen van de HEER, en verder alle vrijwillige gaven aan de HEER. Al vanaf de eerste dag van de zevende maand droegen ze brandoffers op aan de HEER, ook al waren de fundamenten van het heiligdom van de HEER nog niet gelegd.

De steenhouwers en andere vaklieden werden uitbetaald in zilver; de Sidoniërs en Tyriërs ontvingen voedsel, drank en olie om, met toestemming van Cyrus, de koning van Perzië, cederhout over zee van de Libanon naar Jafo te vervoeren.

In het tweede jaar nadat zij naar Gods tempel in Jeruzalem waren gekomen, in de tweede maand, begonnen Zerubbabel, de zoon van Sealtiël, en Jesua, de zoon van Josadak, en de rest van hun broeders – priesters en Levieten en allen die uit de ballingschap naar Jeruzalem waren teruggekeerd – met het aanstellen van Levieten van twintig jaar en ouder, om toezicht te houden op de werkzaamheden aan de tempel van de HEER. Jesua, zijn zonen en verwanten, en Kadmiël en zijn zonen, nakomelingen van Juda, waren gezamenlijk verantwoordelijk voor het toezicht op de arbeiders die werkten aan Gods tempel, met de zonen van Chenadad en hun zonen en verwanten, allen Levieten.

Terwijl de bouwers de fundamenten van het heiligdom van de HEER legden, stelden de priesters, gekleed in ambtsgewaad, zich op met trompetten, en de Levieten, de nakomelingen van Asaf, stelden zich op met cimbalen, om de HEER te prijzen volgens de aanwijzingen van David, de koning van Israël.  Zij dankten en prezen de HEER, en ze zongen in beurtzang: ‘Hij is goed, eeuwig duurt zijn trouw aan Israël.’ Heel het volk begon daarop luid te juichen en de HEER te prijzen omdat de fundamenten van de tempel van de HEER werden gelegd. Veel priesters, Levieten en familiehoofden, de ouderen die de eerste tempel nog hadden gezien, huilden luid toen voor hun ogen de fundamenten van de tempel werden gelegd, maar vele anderen juichten en jubelden. Juichen en huilen waren niet meer te onderscheiden, het gejubel was zo sterk dat het tot op grote afstand te horen was

Tweede Schriftlezing: I Petrus 2:1-6

Voeg u bij Hem, bij de levende steen die door de mensen werd afgekeurd maar door God werd uitgekozen om zijn kostbaarheid, en laat u ook zelf als levende stenen gebruiken voor de bouw van een geestelijke tempel. Vorm een heilige priesterschap om geestelijke offers te brengen die God, dankzij Jezus Christus, welgevallig zijn. In de Schrift staat immers: ‘In Sion leg Ik een hoeksteen die Ik heb uitgekozen om zijn kostbaarheid; wie daarop vertrouwt, komt niet bedrogen uit.’ Kostbaar is Hij voor u, die erop vertrouwen. Voor wie er niet op vertrouwen, geldt echter: ‘De steen die de bouwers afkeurden is de hoeksteen geworden.’

Preek:

Zingen: Lied 973

Om voor elkaar te zijn uw oog en oor,

Te zien wie niet gezien wordt, niet gehoord,

En op te vangen wie zijn thuis verloor,

halleluja,

om voor elkaar te zijn uw hand en voet,

Te helpen wie geen helper had ontmoet:

Wie dorst of honger wordt getroost, gevoed,

halleluja,

om voor elkaar te zijn uw hart en mond,

Om op te komen voor wie is verstomd,

Voor wie gevangen zit of is gewond,

Halleluja.

roept U ons, Christus, uw gezicht te zijn,

Gerechtigheid en vrede, brood en wijn,

Uw liefde, hoop, geloof – uw zonneschijn.

Halleluja!

Dankgebed – voorbeden – stil gebed – Onze Vader

Inzameling van de gaven.

Slotlied (staande): Lied 125 Evangelische Liedbundel

Geprezen zij de Heer die eeuwig leeft.

Die vol ontferming ieder troost

en alle schuld vergeeft.

Die heel het aards gebeuren vast in handen heeft.

Refrein:

Hem zij de glorie, want Hij die overwon,

zal nooit verlaten wat zijn hand begon.

Halleluja. Geprezen zij het Lam,

dat de schuld der wereld op Zich nam.

Verdreven is de schaduw van de nacht.

En wie Hem wil aanvaarden

wordt eens veilig thuisgebracht.

Voor hem geldt ook dit wonder: alles is volbracht.

(Refrein)

Hij doet ons dankbaar schouwen in het licht,

dat uitstraalt van het kruis,

dat eens voor ons werd opgericht.

En voor ons oog verrijst een heerlijk vergezicht.

(Refrein)

Heenzending en zegen, beantwoord met 415:3

Amen, amen, amen,

dat wij niet beschamen

Jezus Christus, onze Heer,

Amen, God, uw Naam ter eer